woensdag 25 april 2018

Kop van Zuid


Geboren op een eiland waait het mij niet snel te hard.
Maar van strand moet ik niets hebben.
Pleurt op met je sentimentele gezandstraal.

Ik wil wind die snijdt, die de tranen uit je ogen blaast. Ook (of juist) als je dacht niet te kunnen voelen.
Ik wil water dat kolkt, dat je weet: ‘Als ik hier nu in val moet ik zwémmen…’
Voor mij geen pensionado’s in appartementen met uitzicht op zee.
Nee, links waar ooit de hoertjes waren, rechts een museum dat keer op keer toch maar niet failliet gaat.

Ergens waar het altijd waait. Waar je je gedwongen klein voelt door de elementen.
Waar je kunt verdwijnen in de storm en tegelijkertijd aan alles voelt dat je niet zomaar bent om te waaien.
Een plek waar duizenden opnieuw begonnen.
Of durfden terugkeren van een mislukt avontuur.
Met op de kop de echte held.
Tussen steeds hogere beschutting.
Vol van verhalen, trotse groene torens en alle soorten warmte voor ieder die is uitgewaaid.

dinsdag 8 maart 2016

Herboren

Ik was bang dat ik je niet zou herkennen.
Dat je groter was geworden, hoewel je de laatste keer dat ik je zag ook al lang volwassen was.
Ik wachtte tot je kwam.
In mijn onderbuik trok een kleine knoop steeds strakker samen.
Even overwoog ik weg te gaan.

Mijn angst bleek ongegrond.
Ik herkende je direct.
In een fractie van een seconde stonden we bij elkaar.
Alsof het altijd zo geweest was.
Alsof we elkaar geen moment kwijt geweest waren.

De kleine knoop verdween.
Er kwamen zichtbare emoties.
Ik ontdekte nieuwe rimpels in je gezicht.
Je bent inderdaad groter geworden.
Je bent geen spat veranderd. 

woensdag 17 februari 2016

De geur van vroeger

Of we nu willen of niet.
We zagen de geleerde plaatjes terug in de herinnering.
Banaan, zweet, muskus, kruidnagel, rozen en een variant op de aan gas toegevoegde sulfideachtige stof.
Of we nu willen of niet.
Kampvuur, vers gemaaid gras en popcorn.
Bent u er nog?
Dat de leeuw groot was, de olifant poepte en dat zijn ijsje lekker was.
Vooral het zweet riep veel controverse op.
Een van de krachtigste jeugdgeuren.
Of we nu willen of niet.
Een zeepaardvormig stukje brein.
Met zijn in thee gedoopte cakeje.
Ontdekten eerst kunstenaars en later ook wetenschappers.
De geleerde plaatjes terug in de herinnering.
Durfden ze er niet mee te verklaren.


(Gemaakt met zinnen uit het artikel De geur van vroeger , Volkskrant, Sir Edmund, 30-01-2016)

maandag 9 februari 2015

Eerste sigaret

We lopen van T. naar mij. Hij had gevraagd of ik nog eten had. Natuurlijk. 'Zullen we zo?' vraagt hij en wijst langs het speeltuintje. Ik heb het koud maar wil nog niet naar binnen. T. haalt een pakje sigaretten uit zijn zak. 'Ik heb klik. Wil jij klikken?' We stoppen onder de lantaarnpaal. Hij steekt de sigaret aan. 'Daar moet je drukken. Op dat rondje' Ik knijp in het filter. T. neemt een trekje. 'Mag ik ook?' vraag ik. Hij lacht en geeft me de sigaret. Ik neem een trekje en denk aan hoe E. rookt. Zo mooi. Haar lange vingers. Mijn eigen vingers zijn koud.
Ik heb één keer eerder een sigaret vast gehad, in de tweede klas. Hij was van meisje dat Kiora heette. Ze rookte stiekem, toen ze haar oudere zus het schoolplein op zag komen vroeg ze of ik haar sigaret wilde vasthouden en dat deed ik. Ik had nog nooit bewust gekeken naar hoe mensen roken en hield de sigaret onwennig tussen mijn vingers. Mijn arm liet ik slap langs mijn lijf hangen. Ik herinner me dat ik bang was dat ik een gaatje in de rok van mijn jurk zou branden.

Jaren later kwam ik bij E. in de klas. We brachten vele pauzes buiten door. Zij wilde nicotine, ik frisse lucht. Toen ik haar voor het eerst zag roken wist ik dat ik mijn voornemen om nooit een sigaret op te steken niet zou waarmaken. Zij maakte dat ik het niet langer smerig vond. Eerder sensueel. Zij rookte zoals de vrouwen uit een wereld van zwart-witte kunstfoto’s.
Hoewel ik haar sinds ik van school ben niet meer gezien heb is het niet meer dan logisch dat ik nu aan haar denk. Roken is in mijn hoofd zo met haar verbonden dat het moment dat mijn lippen het filter raken bijna gelijk staat aan een kus.

‘En?’ vraagt T. Ik blaas uit, voorzichtig, alsof de rook warm zou zijn. ‘Hoe vind je het?’ Ik lach. ‘Leuk’ zeg ik. ‘En lekker, mint.’
We lopen verder naar mijn huis. Ik zou willen huppelen maar doe het niet. Op de trap naar de voordeur staan we stil. ‘Zullen we er nog een doen?’ vraag ik. T. kijkt naar de lantaarnpaal waar we net onder stonden, nog geen achthonderd meter bij ons vandaan. Hij lacht. ‘Ik wist wel dat jij klik leuk zou vinden.’

maandag 25 augustus 2014

Ouder

Ik zou willen dat ik kleiner was
Dan kon ik iets maken om te helpen

Een tekening van ons
Met wasco op een blaadje uit de printer
Of een beeldje
Van gekleurde stukken klei
Ik zou mijn trein door de kamer kunnen leggen
En je vertellen waar we heen gaan
Langs opa en oma
Langs de kinderboerderij
En een ijsje halen
Ik zou met strijkkralen je lievelingsbeest leggen
En jou vragen hem vast te strijken


En misschien zou ik naar de bloemenwinkel gaan
Om daar met mijn eigen geld een bos te kopen
Wat natuurlijk niet zou lukken
Twintig muntjes van vijf cent is wel veel geld
Maar weinig waard
En als dat alles niet zou helpen
Kon ik tenminste nog op schoot kruipen
Maar ik ben niet klein
Mijn trein is verkocht
Mijn wasco is op
Ik pas niet meer op schoot
En vergeet de bloemen